terug naar 
 

 

Jongeren met eetstoornissen

algemeen
welkom  
publiceren 
links   
materiaal  
artikels & teksten
belastende ervaringen
  
zelfverwonding  
preventie in scholen 
leerkrachten (lager) 
leerkrachten (secundair) 
project Vlaamse Gemeenschap 
draaiboek CLB 
Netwerkdag
seksualiteit 
EDI-II-NL  
presentaties (slides) 
terugval bij herstel 

 






 

 

 



Professionalisering van preventie en behandeling van JONGEREN MET EETSTOORNISSEN 

Onderzoeks- en vormingsproject van de K.U. Leuven met steun van de Vlaamse Gemeenschap Ministerie van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen 
EINDRAPPORT  01-02-2002

Deel 1: Achtergronden van het project
Deel 2: Zorginventarisatie 
Deel 3: Deskundigheidsbevordering 
Deel 4: Beleidsadviezen 

DEEL 1: Achtergronden van het project

1. De problematiek van eetstoornissen 
  1.1 Wat zijn 'eetstoornissen'?  
  1.2 Eetstoornissen als ernstig gezondheidsprobleem 
2 Preventie en behandeling van eetstoornissen 
  2.1 Situatie in Vlaanderen 
  2.2 Aanpak van eetstoornissen in Nederland 
3 Voorstellen en keuze van project 
4 Stuurgroep 

1. DE PROBLEMATIEK VAN EETSTOORNISSEN

1.1 Wat zijn 'eetstoornissen'?

Niet elk abnormaal eetgedrag is te omschrijven als een eetstoornis. Het innemen van voedsel kan gestoord zijn in het kader van allerlei lichamelijke aandoeningen (bijv. infectieziekten, maagafwijkingen, tumoren) of een teken zijn van een psychiatrische stoornis (bijv. autisme, depressie, schizofrenie). Als dergelijke lichamelijke en psychiatrische oorzaken zijn uitgesloten, rest nog een groep stoornissen met afwijkend eetgedrag als hoofdkenmerk: de 'eetstoornissen' in strikte zin. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen eetstoornissen bij kinderen voor en na de puberteit (in het laatste geval, meestal vanaf twaalf jaar, spreken we hier van adolescenten of 'jongeren'). De belangrijkste eetstoornissen bij jongeren zijn anorexia nervosa, boulimia nervosa, en overeten gekoppeld aan overgewicht.

Anorexia nervosa

De term anorexia nervosa - letterlijk gebrek aan eetlust van 'nerveuze' of psychische aard - is misleidend, omdat deze patiënten niet lijden aan een tekort aan eetlust. Ze pogen juist doelbewust hun eetlust en hongergevoel te onderdrukken. De term kan het best vertaald worden als 'magerzucht': de onweerstaanbare drang om vermagering na te streven, hetgeen tot uiting komt in een abnormale houding tegenover voeding, lichaamsomvang en gewicht. In de diagnostische criteria is er sprake van een gewichtsverlies van 15% en meer beneden het minimumpeil dat normaal is voor leeftijd en lengte. Hierbij moet men ook rekening houden met de zogenaamde 'stille' vermagering. Het gaat dan om meisjes rond de puberteit, die met toenemende leeftijd (vooral tussen 11 en 15 jaar) niet de verwachte gewichtsstijging vertonen: hun lengtegroei gaat niet samen met een overeenkomstige toename in gewicht. Toch is het misleidend om alleen op grond van het gewicht een diagnose te stellen. Vooral het idee dat een opvallende vermagering nodig is om van anorexia nervosa te spreken leidt ertoe dat vele varianten van magerzucht onopgemerkt blijven. Mettertijd zijn anorexia-nervosapatiënten grote delen van de dag bezig met calorieën te tellen of aan eten te denken. Voedsel wordt slechts als 'gezond' beschouwd als het weinig calorieën bevat; vooral suikers en vetten zijn taboe. Daarbij pogen ze zo lang mogelijk de schijn op te houden dat ze zich gezond voelen of zelfs in uitstekende conditie verkeren. Velen leggen een bijzondere prestatie?ijver aan de dag in hun studies of werk, met niet zelden nog betere resultaten dan ooit tevoren. Dikwijls zijn ze ook hyperactief op fysiek en sportief gebied. Velen gaan in toenemende mate - maar meestal in het geheim en volgens een vast schema - allerlei lichaamsoefeningen uitvoeren, bijv. om een vermeend 'buikje' weg te krijgen. Anderen 'moeten' steeds in beweging zijn en gunnen zichzelf weinig rust. Uit dit alles volgt dat anorexia nervosa-patiënten, zeker in de beginperiode, zelden geneigd zullen zijn om hulp te vragen, want ze voelen zich niet ziek. Het zijn dan ook meestal de ouders die hulp gaan zoeken of de patiënt onder druk zetten om zich tot een arts of hulpverlener te wenden. Bewerkt de patiënt enkel vermagering door strikte beperking van voedselinname of door een calorie-arm dieet, vaak in combinatie met fysieke hyperactiviteit, dan gaat het om 'klassieke' of 'pure' anorexia nervosa. Daarnaast bestaat er anorexia nervosa van het 'gemengde' type, die gelijkenissen vertoont met boulimia nervosa. Deze patiënten slagen er niet in hun magerzucht louter door vasten of minder voedselinname vorm te geven. Ze vertonen tussendoor eetbuien en zoeken hun toevlucht tot zelfopgewekt braken en/of gebruik van laxeermiddelen.

Boulimia nervosa

De diagnose van boulimia nervosa wordt vaak over het hoofd gezien omdat er in de meeste gevallen uiterlijk niets aan deze patiënten te merken is, in tegenstelling tot de vermagering bij anorexia nervosa, en omdat zij uit schaamte of schuldgevoel hun eetbuien verbergen. We spreken van een eetbui (boulimie) als de betrokken persoon objectief teveel eet in een kort tijdsbestek (bijv. een grote hoeveelheid binnen 1/2 à 1 uur) en hierbij een controleverlies ervaart: ze lijken overrompeld te worden door een onbedwingbare drang tot eten; zodra ze menen van iets teveel gegeten te hebben, 'slaan ze door' en blijven dooreten tot ze 'barstensvol' zitten. Vrij typisch is dat een eetbui voedsel betreft dat men zichzelf 'verboden' heeft (calorierijk voedsel, vooral suikers en vetten). Sommigen eten alles wat ze voorhanden hebben en snel kunnen verorberen (vaak een wansmakelijke combinatie van allerhande spijzen). Anderen verkiezen bepaald eten (bijv. zoetigheden) en schaffen zich dit stiekem in grote hoeveelheden aan. Zelden komen eetbuien voor in aanwezigheid van anderen. Bijna steeds gebeurt het in het geheim, als men alleen is, meestal 's avonds of 's nachts. Niet elke patiënt die eetbuien of boulimie vertoont, lijdt aan boulimia nervosa. De toevoeging van het adjectief 'nervosa' wijst nog eens op de gelijkenis met anorexia nervosa. Boulimia nervosa is een vorm van boulimie met als cruciaal kenmerk een opvallende bezorgdheid over mogelijke gewichtsstijging die men ten alle prijze wil verhinderen. De belangrijkste methoden om gewichtstoename te voorkomen of te herstellen zijn zelfopgewekt braken (meestal door een vinger diep in de keel te steken) en gebruik van grote hoeveelheden laxeermiddelen. Anderen wisselen eetbuien af met episodes van vasten of strikt dieethouden, eventueel gepaard met energieke lichamelijke inspanningen. Hierdoor kunnen ze de gewichtsschommelingen binnen perken houden; de meeste boulimia nervosapatiënten hebben dus een 'normaal' gewicht, maar zij blijven geobsedeerd door hun lichaamsomvang of gewicht. Uit deze beschrijving blijkt dat sommige vormen van boulimia nervosa overlappen met anorexia nervosa (vooral het 'gemengde' type); ze kunnen ook afwisselend voorkomen, en verder ook overgaan in de volgende stoornis.

Overeten en overgewicht

Voor het vergelijken van lichaamsgewicht wordt bij kinderen gebruik gemaakt van groeicurven. Voor jongeren en volwassenen past men de Queteletindex of Body Mass Index toe (deze index of BMI wordt verkregen door het gewicht te delen door de lengte in het kwadraat). Een BMI onder de 18 betekent ondergewicht, vanaf 25 spreken we van een overgewicht. De term obesitas of zwaarlijvigheid gebruiken we pas vanaf een BMI boven 30. In de groep obesen wordt geschat dat minstens een vierde een ernstig eetprobleem heeft (overeten, eetbuien), hetgeen ook betekent dat in de meerderheid van de gevallen de zwaarlijvigheid niet zonder meer is toe te schrijven aan overmatig eten maar ook andere factoren een rol spelen. Vermoedelijk moeten we de combinatie overeten en overgewicht als een aparte groep eetstoornissen beschouwen. Het kan enerzijds gaan om mensen die boulimie vertonen (herhaalde eetbuien) maar daarbij niet de compensatiereacties (braken, laxeren) vertonen zoals dat wel het geval is bij boulimia nervosa (zodat deze laatste niet gepaard gaat met overgewicht. Anderzijds is er een groep die in plaats van een eetbui te hebben veel eet of snoept over de dag gespreid en in frequente kleine hoeveelheden ('tussendoortjes'), maar de eindsom van de calorische opname is veel groter dan het calorieverbruik per dag zodat het gewicht stijgt. Hoe meer mensen met overgewicht een strikt vermageringsdieet toepassen, hoe groter de kans dat ze mettertijd een eetstoornis gaan vertonen!

terug naar inhoudstafel

1.2 Eetstoornissen als ernstig gezondheidsprobleem

De vermelde eetstoornissen worden vaak voorgesteld als een 'modegril'. In feite doelt men dan op het veel voorkomend lijngedrag (vooral dieet-houden) bij jongeren, waarvan men aanneemt dat het maar een tijdelijk verschijnsel is en spontaan zal verdwijnen. Gelukkig is dit zo voor de grootste groep van jongeren, maar een aanzienlijk aantal ontwikkelt een echte eetstoornis die belangrijke gevolgen heeft voor de psychische en fysieke gezondheid. Een eetstoornis als anorexia nervosa bijvoorbeeld verstoort op ingrijpende wijze de normale groei van een puber: de gewichtsdaling verwekt een verstoring van vrouwelijke hormonen (menstruaties treden niet meer op) en groeihormoon (met gevolg een groeivertraging); de ondervoeding kan bovendien tal van organen aantasten en tot verwikkelingen leiden. Van de zeer ernstige gevallen kan dit in 10% zelfs dodelijk aflopen. Maar ook op psychisch vlak brengen eetstoornissen negatieve gevolgen teweeg: prikkelbaarheid, neerslachtigheid, slaapproblemen, concentratiestoornissen. Meestal ontstaat er geleidelijk ook een sociaal isolement doordat ze zich zowel thuis als tegenover kennissen/vrienden meer teruggetrokken gaan opstellen. Voor de familieleden betekent het trouwens een extra bron van spanning om samen te leven met iemand met een eetstoornis. Door al die gevolgen (lichamelijk, psychisch, sociaal) wordt het zelfvertrouwen van deze patiënten - dat meestal reeds vrij zwak was - verder ondermijnd en ontstaat een steeds negatiever zelfbeeld. We beschikken in België niet over betrouwbare cijfers over frequentie van voorkomen van eetstoornissen. Volgens Nederlands onderzoek wordt het aantal gevallen van anorexia & boulimia nervosa (dus ernstige vormen van een eetstoornis) per jaar per 100.000 meisjes en jonge vrouwen geschat op 1800, maar slechts een vijfde hiervan wordt door de huisarts herkend en uiteindelijk komen slechts ongeveer 200 patiënten terecht bij een of andere behandelaar! Deze cijfers slaan op gevallen die volledig beantwoorden aan strikte diagnostische criteria. Neemt men de definitie van eetstoornis iets ruimer (bijvoorbeeld ook minder ernstige maar toch abnormale gewichtsveranderingen) dan kan men bij meisjes tussen 12 en 20 jaar schatten dat minstens 1 op 100 een vorm van anorexia nervosa ontwikkelt en 3 à 5 op 100 een vorm van boulimia nervosa (of een combinatie van anorexia en boulimia). Bij jongens komen deze eetstoornissen veel zeldzamer voor, maar hierover zijn geen goede cijfers beschikbaar. Het voorkomen van zwaarlijvigheid of obesitas (gedefinieerd als een Body Mass Index van 30 of hoger) wordt in Westerse landen geschat op minstens 10% van de algemene bevolking. Bij naar schatting een vierde hiervan heeft het overgewicht hoofdzakelijk te maken met een eetstoornis (in de zin van overmatig eten of eetbuien). De laatste decennia is er bovendien een duidelijke toename van obesitas ook bij pubers en adolescenten (zowel meisjes als jongens). Hoewel zwaarlijvigheid bij kinderen op zichzelf reeds een ernstige problematiek is, betekent het bovendien een ernstige risicofactor voor het ontwikkelen van een eetstoornis in de vroege adolescentie!

terug naar inhoudstafel

2 PREVENTIE EN BEHANDELING VAN EETSTOORNISSEN

2.1 Situatie in Vlaanderen

In verschillende Europese landen (o.a. Nederland, Noorwegen, Spanje) komt de overheid tussen in het stimuleren van een gecoördineerde aanpak van eetstoornissen (anorexia nervosa, boulimie, en verwante vormen). Deze eetstoornissen blijken in toenemende frequentie bij jongeren tussen 12 en 18 jaar voor te komen en vormen een ernstige bedreiging voor de fysieke en psychische gezondheid. Een tijdige herkenning en een gepaste behandeling kunnen veel onheil voorkomen. Uit onderzoek is bekend dat een eetstoornis die adequaat behandeld wordt binnen het jaar na het optreden van de eerste tekens, een genezingskans van 100% heeft. Dit veronderstelt allereerst een tijdige herkenning van een eetstoornis (secundaire preventie) en hier kunnen velen een rol bij spelen: ouders, huisartsen, leerkrachten, CLB enz. Op dit terrein zijn wel enkele losse initiatieven genomen op lokaal vlak, maar een meer systematische en gecoördineerde verbetering van de secundaire preventie in Vlaanderen blijft uit. Op het terrein van de behandeling van eetstoornissen stellen we vast dat de deskundigheid zeer onevenwichtig is gespreid in Vlaanderen. De gespecialiseerde hulp (ambulant en residentieel) is slechts terug te vinden in enkele regio's (Antwerpen, Gent, Leuven). Bovendien ontbreekt het aan samenwerking tussen de verschillende hulpverlenende instanties waardoor heel wat patiënten te lang wachten op behandeling of nodeloos worden opgenomen in een ziekenhuis. Uit ervaring (o.a. Vereniging Anorexia & Boulimia Nervosa) blijkt hoe weinig kennis er bestaat over de behandelmogelijkheden in Vlaanderen. Een tijdige herkenning van een eetstoornis blijkt dan vaak uit te lopen in een frustrerende zoektocht naar de geschikte behandeling.

terug naar inhoudstafel

2.2 Aanpak van eetstoornissen in Nederland

Hoger genoemde situatie deed zich ook voor in Nederland tot de overheid besloot eetstoornissen tot een prioritair aandachtspunt in de gezondheidszorg te nemen. In opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) werd in dit verband in 1989 een Gezondheidsraadadvies geformuleerd. Dit leidde tot de oprichting van een Stuurgroep Eetstoornissen Nederland (SEN) die in 1998 een eindrapport uitbracht over 'Gespecialiseerde zorg voor patiënten met een eetstoornis'. Uitgangspunt voor de SEN is dat eetstoorniscliënten een specifieke behandeling vereisen en dat vele behandelaars onvoldoende ervaring hebben op dit gebied. In haar rapport beschrijft de SEN haar aanpak om tot een gespecialiseerde zorginventarisatie te komen voor cliënten met eetstoornissen. De SEN geeft hierbij richtlijnen voor een minimumscenario om tot een goed gespreide en kwalitatief en kwantitatief goede zorg te komen. De werkgroep beschrijft een piramidemodel waarbij de mate van benodigde expertise afhangt van de functie. 

bulletAls eerstelijn ziet men de huisarts of het RIAGG (vergelijkbaar met onze Centra Geestelijke Gezondheidszorg) . Deze moeten niet gespecialiseerd zijn in het behandelen, doch wel in het globaal screenen en eventueel doorverwijzen van cliënten met een eetstoornis. 
bulletOp de tweedelijn situeert de SEN 'gespecialiseerde centra' met poliklinische, dagklinische en klinische capaciteit voor een homogene groep eetstoornispatiënten. Zij moeten beschikken over een breedspectrum behandelprogramma en een multidisciplinair team. Deze centra hebben niet alleen expertise qua behandeling, maar hebben ook taken op het vlak van samenwerking en circuitvorming, ondersteuning en informatie van eerste lijn. Aparte nood is er aan 'gespecialiseerde centra voor jeugdigen'. 
bulletHet 'topreferentie centrum' is een soort derdelijn in het behandelen van eetstoorniscliënten. Het gaat om een gespecialiseerd centrum, dat ook voorzieningen heeft voor speciale groepen eetstoornispatiënten en het overleg tussen gespecialiseerde centra coördineert. Het centrum heeft een landelijke voortrekkersrol. 
bullet'Lokale en regionale expertise' is voorzien in grote steden en in gebieden die ver van een gespecialiseerd centrum liggen.

terug naar inhoudstafel

3 VOORSTELLEN EN KEUZE VAN PROJECT

Algemeen stelden we voor de vermelde aanbevelingen aan de Nederlandse overheid als uitgangspunt te nemen voor een verder beleid inzake aanpak van eetstoornissen in Vlaanderen.

Meer specifiek kunnen hierin drie stappen worden onderscheiden:

bulletIn navolging van de vermelde initiatieven en beleidsvoorstellen in Nederland is het allereerst noodzakelijk een zorginventarisatie uit te voeren. Hier zou om praktische redenen een onderscheid kunnen gemaakt worden tussen projecten van inventarisatie van eerstelijnsdiensten, in alle CGG's, en ten slotte van overige tweede- en derdelijnsdiensten in Vlaanderen.
bulletEen volgende stap, met het oog op betere herkenning en snelle aanpak van eetstoornissen, is deskundigheidsbevordering en dit allereerst op het terrein van de CGG's. Gezien echter het schoolmilieu een belangrijke rol speelt in secundaire preventie zou ook aandacht besteed moeten worden aan deskundigheidsbevordering in CLB's.
bulletTen slotte moeten deze stappen gezien worden als noodzakelijke bouwstenen om uiteindelijk tot een netwerkvorming in de hulpverlening te komen, waarbij het genoemde pyramidemodel in Nederland als voorbeeld kan dienen.

Op basis van deze voorstellen gaf het Ministerie van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen een opdracht aan de K.U.L. (...) De projectdoelstelling werd beperkt tot de eerste twee voorstellen en zou dus twee stappen omvatten:
(1) een onderzoeksdeel om een zicht te krijgen op de manier waarop eerstelijns-, tweedelijns- en derdelijnszorg omgaan met eetstoornissen;
(2) een vormingsdeel bestaande uit opleidingen in herkenning en aanpak van eetstoornissen en dit op het terrein van de CGG's en CLB's.

Het project liep voor de periode van 01-12-2000 tot 30-11-2001 en voor de uitwerking ervan werd, zoals gevraagd in het ministerieel besluit terzake, een speciale stuurgroep opgericht.

terug naar inhoudstafel

4 STUURGROEP

Prof. Dr. Walter Vandereycken (coördinator)

Psychiater-psychotherapeut; hoofddocent aan de K. U. Leuven, Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen; hoofd van de afdeling directieve therapie, Kliniek der Broeders Alexianen, Tienen; consulent in het Universitair Centrum St. Jozef te Kortenberg.

Lic. An Vandeputte (contactpersoon)

Klinisch psycholoog en vormingswerker; psychotherapeut in het therapieprogramma voor eetstoornissen, Kliniek Alexianen Tienen; oprichter van eetstoornis.be (centrum voor preventie en behandeling van jongeren met eetstoornissen) te Holsbeek.

Prof. Dr. Caroline Braet

Klinisch psycholoog, gedragstherapeut en docent aan de Universiteit van Gent, Vakgroep Ontwikkelings- en Persoonlijkheidspsychologie; coördinator van projecten rond preventie en behandeling van kinderobesitas en consulent op de polikliniek van het Universitair Ziekenhuis van Gent en in het Medisch Pediatrisch Centrum in De Haan.

Lic. Yvienne Goris

Klinisch psycholoog verbonden aan het CGG te Lommel, met gericht programma voor behandeling van jongeren met eetstoornissen

Dr. Helga Lakiere

Teamverantwoordelijke JGZ/TGZ (Jeugdgezondheidszorg en Thuisgezondheidszorg) binnen de afdeling PSG (Preventieve en Sociale Gezondheidszorg) van de administratie Gezondheidszorg (ministerie van welzijn, gezondheid en gelijke kansen) van de Vlaamse Gemeenschap.

Mevr. Bernadette Paerewijck

Sectorverantwoordelijke sector CLB-OND gemeenschapsonderwijs.

Dr. Ria Van den Broeck

Arts verbonden aan het VCLB-vormingscentrum met als taak de medisch wetenschappelijke ondersteuning van het multidisciplinaire team.

terug naar inhoudstafel