terug naar 
 

 

Jongeren met eetstoornissen

algemeen
welkom  
publiceren 
links   
materiaal  
artikels & teksten
belastende ervaringen
  
zelfverwonding  
preventie in scholen 
leerkrachten (lager) 
leerkrachten (secundair) 
project Vlaamse Gemeenschap 
draaiboek CLB 
Netwerkdag
seksualiteit 
EDI-II-NL  
presentaties (slides) 
terugval bij herstel 

 






 

 

 



Professionalisering van preventie en behandeling van JONGEREN MET EETSTOORNISSEN 

Onderzoeks- en vormingsproject van de K.U. Leuven met steun van de Vlaamse Gemeenschap, Ministerie van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen 
EINDRAPPORT  01-02-2002

Deel 1: Achtergronden van het project
Deel 2: Zorginventarisatie 
Deel 3: Deskundigheidsbevordering 
Deel 4: Beleidsadviezen

DEEL 2: Zorginventarisatie

1. Centra voor Leerlingen Begeleiding (CLB) 
2. Diensten algemeen welzijn 
3. Huisartsen 
4. Centra Geestelijke Gezondheidszorg (CGG) 
5. Klinisch psychologen 
6. Psychiaters 
7. Psychiatrische afdelingen en klinieken 

Hoeveel cliënten met een eetstoornis komen er jaarlijks terecht in de welzijns- en gezondheidszorg (eerste, tweede en derde lijn)? Hoe gebeurt de screening? Welke hulpverlening wordt voorgesteld en/of uitgevoerd? Welke problemen worden hierbij ervaren? Welke preventieve acties acht men wenselijk? Deze vragen waren het uitgangspunt van een schriftelijke enquête met de bedoeling naast een cijfermatige inventarisatie ook een beeld te krijgen van de mogelijkheden en beperkingen van de verschillende diensten en hulpverleners in de aanpak (herkenning en begeleiding) van eetstoornissen bij vrouwen van 12 tot 25 jaar. De enquête werd volgens een vast patroon opgesteld, maar telkens aangepast volgens de onderzochte groep (zie documentatie in bijlage). De hoofdaandacht in dit project ging uit naar het functioneren van CLB en CGG. Maar om dit te kunnen situeren in het ruimer geheel besloten we het brede spectrum van de welzijns- en gezondheidszorg bij de inventarisatie te betrekken. Zo verkrijgen we dus een beeld van de zorg voor jongeren met eetstoornissen op de · eerste lijn: CLB, diensten algemeen welzijn, huisartsen · tweede lijn: CGG, klinisch psychologen, psychiaters · derde lijn: psychiatrische afdelingen en klinieken. Voor elk van deze zorgverstrekkers bespreken we telkens de respons op de schriftelijke enquête, de resultaten en enkele conclusies.

terug naar inhoudstafel

1 CLB (CENTRA VOOR LEERLINGEN BEGELEIDING)

1.1 Respons

De CLB teams zijn multidisciplinair samengesteld, maar waren op het moment van de enquête nog volop in een fase van interne organisatie door de recente fusie-operatie (PMS + MST). Om praktische redenen werd gekozen om de enquête te laten invullen door de CLB-arts. Deze ziet bij het algemeen leerlingenonderzoek een grote groep jongeren, meestal in het tweede of begin derde trimester. Bij het opstellen van het adressenbestand einde 2000 waren er 108 CLB-vestigingsplaatsen van het vrij onderwijs, 26 CLB's van het gemeenschapsonderwijs, en 5 CLB's van steden, gemeenten en provincies. Van de 139 vragenlijsten kregen we er 67 terug, wat een respons geeft van ongeveer 50%. Gezien de beperkte antwoordtijd en de overgangsperiode binnen de CLB-groepen beschowuen we dit als een goede respons. Zeven vragenlijsten werden niet ingevoerd wegens: te laat teruggestuurd (1), niet ingevuld door overbelasting (4), niet van toepassing (volwassenenonderwijs: 1), overlapping met ander centrum (1). Er kwamen daarbuiten nogal wat telefonische reacties van CLB's die het te moeilijk vonden om de enquête in te vullen wegens gebrek aan een vast registratiesysteem (onvoldoende automatisering). Er is bij het verwerken van de vragenlijsten geen onderscheid gemaakt tussen de netten.

1.2 Resultaten

Bij ongeveer 16% van de meisjes uit het derde middelbaar onderwijs die de CLB-arts jaarlijks ziet voor een algemeen medisch onderzoek wordt een objectief gewichtsprobleem vastgesteld (9% overgewicht, 7% ondergewicht). Overgewicht wordt in de regel door de leerlingen als problematisch ervaren, bij ondergewicht is dit slechts zelden. Overgewicht wordt door de CLB-arts in 60% van de gevallen toegeschreven aan overeten. Ondergewicht wordt in 36% van de gevallen toegeschreven aan anorexia nervosa. De diagnose 'boulimie' wordt minder vaak gesteld (0.7%). Een eetstoornis wordt praktisch uitsluitend gediagnosticeerd via het 'medisch onderzoek'. De CLB-arts ziet met andere woorden zelden een leerling met een eetstoornis na specifieke doorverwijzing door de school of door een andere CLB-medewerker. De diagnose gebeurt op basis van verschillende factoren: gewicht (28%), klinische indruk (22%), gedragskenmerken zoals eetgedrag en sporten (21%). Persoonlijkheidskenmerken en het uitblijven van de menstruaties zijn in mindere mate bepalend (14 en 15%). Het CLB begeleidt zelf gemiddeld 22% van de meisjes met een eetstoornis (CLB-arts 15%, andere CLB-medewerker 7%) wanneer de eetstoornis als niet te ernstig wordt beschouwd (beperkte gewichtsafwijking, weinig psychiatrische moeilijkheden). Soms spelen echter ook andere redenen een rol (leerling wil nog geen doorverwijzing, financiële redenen, bezwaren van ouders, wachtlijsten). Problemen die de CLB-arts ervaart in de begeleiding zijn het gebrek aan tijd, opleiding en ervaring, en ook de moeilijkheden om de privacy niet te schenden bij het verder opvolgen van deze leerlingen. Het merendeel (78%) van de cliënten met een eetstoornis wordt doorverwezen (meer dan de helft hiervan naar de huisarts). In tweede instantie ook naar de psychiater, diëtist, CGG en psycholoog).

1.3 Conclusies

Het CLB beschikt over een uitzonderlijk filtersysteem voor detectie van eetproblemen: het herhaald algemeen medisch onderzoek van leerlingen. Grootschalige screening is hierdoor mogelijk, zeker als met eenvoudige instrumenten wordt gewerkt en de gegevens gemakkelijk toegankelijk zijn. Zo kan er met een goede registratie van lichaamsgewicht en groei (evolutie van BMI-gegevens) een risicogroep worden opgespoord en opgevolgd. Op basis van de enquête blijkt dat door gebrek aan kennis en ervaring de CLB-arts moeilijkheden ervaart inzake diagnose en verdere begeleiding: · informatie inzake diagnosestelling · hulp van korte gestructureerde screeningslijst · verduidelijking van de rol die men kan spelen vanuit het CLB inzake multidisciplinaire begeleiding en motivering voor verwijzing · meer informatie over doorverwijsmogelijkheden Nu worden 'eenvoudige' eet- en gewichtsproblemen in het CLB verder opgevolgd en wordt het merendeel van de meer gecompliceerde eetstoornissen doorverwezen naar de huisarts. Het CLB is verplicht om naar de huisarts door te verwijzen, ook al weet die vaak geen raad met deze problematiek (zie 3).

terug naar inhoudstafel

2 DIENSTEN ALGEMEEN WELZIJN

2.1 Respons

De diensten voor algemeen welzijn en maatschappelijk werk zijn een zeer diverse groep. We besloten ze toch zo ruim mogelijk te bevragen, hoewel we konden verwachten dat vele centra niet rechtstreeks met de problematiek van eetstoornissen geconfronteerd worden. Van de 86 enquêtes kregen we er 44 terug, wat neerkomt op ongeveer 50% respons. Twaalf respondenten antwoordden dat ze de enquête niet invulden: geen ervaring met eetstoornissen (7), enkel mannelijke cliënten (1), geen registratiesysteem (3). De 32 ingevulde enquêtes zijn afkomstig van: 20 CAW (Centrum Algemeen Welzijn; waarvan 7 verbonden aan ziekenfondsen), 3 JAC (JongerenAdviesCentrum), 6 CLG (Centrum Levens- en Gezinsmoeilijkheden), 1 CGSO (Centrum Gezins- en Seksuele Opvoeding) en 2 diverse (aparte centra). Van de Federatie van Teleonthaaldiensten in Vlaanderen kregen we de reactie dat de problematiek eetstoornissen geregistreerd staat als thema van 539 oproepen per jaar (0.5 % van het totaal aantal telefonische oproepen).

2.2 Resultaten

Gezien de grote diversiteit in diensten zijn gemiddelde cijfers erg relatief te interpreteren. Grof geschat heeft men per maand ongeveer te maken met een vrouwelijke cliënt tussen de 12 en 25 jaar met een eetstoornis. Meestal gaat de eetstoornis samen met een andere psychische stoornis en is de reden voor aanmelding iets anders. Opvallend vaak worden cliënten naar een dienst doorverwezen vanuit een schoolcontext (29% via of op aanraden van de school en 18% via het CLB). Een derde (32%) meldt zich op eigen initiatief, 22% is verwezen door de huisarts en 20% door een maatschappelijk werker. Verschillende factoren spelen mee om tot de diagnose 'eetstoornis' te komen: gewicht (28%); algemene kenmerken zoals perfectionisme en negatief zelfbeeld (27%), en gedragskenmerken als eetgedrag en overmatig sporten (25%). De klinische indruk en het uitblijven van menstruatie gelden veel minder als signaal voor vermoeden van een eetstoornis (resp. 12 en 8%), hetgeen te verwachten is gezien de opstelling van deze diensten. Verdere begeleiding van eetstoornissen gebeurt in de regel individueel en meestal zonder overleg/samenwerking met andere hulpverleners. Alleen in 10% van de gevallen wordt er dan samengewerkt met een andere hulpverlener en in dat geval is samenwerking met de huisarts slechts in 31% het geval. Als men doorverwijst is dit in eerste instantie naar de psychiater (30%) en de psycholoog (25%), vaak ook naar de huisarts (16%), zeker als het meer ernstig is, of als de eetstoornis de centrale problematiek vormt.

2.3 Conclusies

Gezien vele van deze diensten een zeer heterogeen publiek hebben en dus ook uiteenlopende hulpvragen krijgen, verwacht men niet direct dat zij te maken krijgen met jongeren met eetproblemen. Toch komen vele diensten met een relatief groot aantal jongeren in contact (zeker de JAC's) en hebben zij vaak contact met de schoolcontext. Inzake preventie en vroegtijdige herkenning van een eetstoornis zouden ze dus een belangrijke rol kunnen spelen. De centra zelf suggereren daarbij diverse maatregelen: · een korte screening bij de intake (bijv. met een eenvoudige vragenlijst); · het ontwikkelen van laagdrempelige samenwerking met psychologen en psychiaters; · uitbreiding van goedkopere behandelingsmogelijkheden voor personen met een eetstoornis. · een gerichte inschakeling in preventieinitiatieven (gestoeld op laagdrempelige informatieverschaffing, en actieve werking t.a.v. een positief zelfbeeld bij jongeren).

terug naar inhoudstafel

3. HUISARTSEN

3.1 Respons

Een goed georganiseerde enquête bij een representatieve groep huisartsen was niet haalbaar binnen dit project. Toch wilden we deze belangrijke groep erbij betrekken in de vorm van een soort verkennend onderzoek bij een beperkte steekproef. Hiervoor werden uit een bestand van 4495 geregistreerde huisartsen een kleine steekproef (totaal 202) getrokken per provincie, rekening houdend met mate van verstedelijking.

Antwerpen, 27.2 %,  n = 55
Brabant, 18.1%, n = 36
West-Vlaanderen, 18.3%, n= 37
Oost-Vlaanderen 23.0%, n = 47
Limburg, 13.4%, n = 27

De respons op de vragenlijst was erg beperkt : van de 202 enquêtes kregen we 32 ingevulde enquêtes terug, dit is een respons van ongeveer 15%.

3.2 Resultaten

De bevraagde huisartsen komen weinig met de problematiek in aanraking; meestal gaat het maar om 'enkele' patiënten per jaar. De huisarts is meer vertrouwd met overgewicht en merkt dit relatief vaak op (11 à 20% van de vrouwen). Dit is niet het geval met ondergewicht (minder dan 5% van de vrouwen). Mogelijker hangt dit samen met de bevinding dat een ernstig overgewicht bij vrouwen subjectief als problematisch wordt ervaren (in tegenstelling tot een ernstig ondergewicht). Van de eetstoornispatiënten die de huisarts raadplegen, wordt ongeveer 30% aangemeld via iemand uit de naaste familie (of in veel mindere mate vanuit de werkomgeving). Ongeveer 70% van de eetstoornispatiënten raadpleegt zelf de huisarts, maar bij slechts een minderheid wordt door de patiënt een eetprobleem aangegeven (20%). In de meeste gevallen dient de huisarts onrechtstreeks te concluderen tot een eetstoornis (32%) of naar aanleiding van een raadpleging voor andere klachten (18%). Als de patiënt zelf consulteert is dit in de helft van de gevallen onrechtstreeks, en is het de arts die zelf achter het eetprobleem moet komen. Hoewel huisartsen aangeven dat ze tegen de verdere begeleiding van eetstoornissen opzien (door gebrek aan tijd en ervaring), begeleiden ze naar eigen zeggen toch ongeveer 30% van de eetstoornispatiënten zelf. Ze beperken zich vooral tot de minder ernstige problematiek (gering onder- of overgewicht, zonder onderliggende problemen, met een probleembesef bij patiënten en hun familie). Als de huisarts doorverwijst dan gebeurt dit bijna even vaak naar een psychiater, psycholoog of diëtist. In veel mindere mate verwijst hij door naar een CGG.

3.3 Conclusies

Gezien de beperkte steekproef en respons kunnen we slechts voorlopige algemene tendensen aangeven. Hoewel te verwachten valt dat de huisarts een belangrijke rol speelt in de (vroege) herkenning en behandeling van eetstoornissen, trekt deze problematiek niet direct hun aandacht. Bij hun patiënten stellen ze eetstoornissen slechts af en toe vast, en meesta gaat het om problemen met overgewicht. In verband met verbetering van de zorg signaleren huisartsen volgende aandachtspunten: · informatie over diagnosestelling · vorming in het herkennen en begeleiden van eetstoornispatiënten (eerste opvang, motivering voor verdere therapie) · informatie over doorverwijsmogelijkheden (naar tweede lijn)

terug naar inhoudstafel

4 CGG (CENTRA GEESTELIJKE GEZONDHEIDSZORG)

4.1 Respons

Door de verantwoordelijke koepelorganisaties werden einde 2000 adressen van 88 vestigingsplaatsen doorgegeven; 42 diensten reageerden en dit is ongeveer 50%. Zeven enquêtes werden niet ingevoerd: geen registratiegegevens op het CGG (3) of te laat teruggestuurd (4). Vele respondenten meldden ons telefonisch dat ze geen nauwkeurige gegevens konden leveren door gebrek aan automatisering.

4.2 Resultaten

Gemiddeld melden er zich per jaar 67 nieuwe vrouwelijke cliënten tussen 12 en 25 jaar bij een CGG. Een opvallend groot gedeelte (14%) kampt met een eetstoornis, die echter meestal samengaat met een andere psychische stoornis. De meeste van deze cliënten zijn ouder dan 18 jaar. De huisarts is de voornaamste doorverwijzer (31%), maar ook de persoon zelf of zijn familie nemen vaak het initiatief tot contactname met het CGG (resp. 24 en 8%). Verschillende factoren spelen mee om tot de diagnose 'eetstoornis' te komen: gedragskenmerken (27%), gewicht (22%), klinische indruk (21%) en persoonlijkheidsfactoren (18%). Het uitblijven van de menstruaties is minder een bepalend (12%). Gezien de eetstoornis dikwijls niet als hoofdklacht vermeld wordt, gebeurt het soms dat dit pas bij verdere begeleiding van een ander probleem wordt vastgesteld. Verdere behandeling/begeleiding in het CGG zelf gebeurt vooral door de psycholoog (42%) en door de psychiater (30%). Opvallend genoeg wordt hier in 27% van de begeleide cliënten een diëtist vermeld; maar deze behoort normaal niet tot het vaste team zodat we veronderstellen dat hier externe samenwerking met een diëtist bedoeld wordt. Behandeling gebeurt voornamelijk individueel (57%), gezinsgericht (29%), en eerder uitzonderlijk op basis van medicatie (9%). Men verwijst in een derde van de gevallen door (35%), in eerste instantie naar een psychiater (42%) of een psycholoog (35%). Een doorverwijzing naar een diëtist gebeurt in 15% van de gevallen. Er wordt quasi niet doorverwezen naar de huisarts.

4.3 Conclusies

Inzake de behandeling van eetstoornissen spelen CGG's een grote rol. Een aanzienlijk aantal van de aangemelde meisjes of jonge vrouwen heeft een eetstoornis, en de meerderheid van deze cliënten wordt ook in het CGG opgevangen. Uit de enquête blijkt over het algemeen een grote nood aan bijscholing. Het aanwezige kennisniveau en de rol die men zich toemeet verschilt vaak erg sterk van het ene tot het andere CGG: sommige centra menen een goede basis te hebben om deze problematiek op te volgen, anderen menen net het omgekeerde. Het gemis aan medische begeleiding wordt vaak als tekort vermeld. Over de rol die men kan spelen inzake preventie verschillen de meningen zeer sterk. De officiële opdracht (ministerieel decreet) is in dit verband blijkbaar wat onduidelijk. De noden liggen enerzijds op het vlak van professionalisering, en anderzijds op het vlak van rolverduidelijking bij preventie en behandeling van eetstoornissen. Een interessante beleidsvraag is in dit verband of ieder CGG voldoende kennis en ervaring zou moeten hebben om een 'minder ernstige' eetstoornis te begeleiden, dan wel of er eerder toegewerkt wordt naar enkele gespecialiseerde centra.

terug naar inhoudstafel

5 KLINISCH PSYCHOLOGEN

5.1 Respons

We ondervroegen 700 klinisch psychologen. Daartoe maakten we gebruik van het adressenbestand van de Vereniging van Klinisch Psychologen, aangesloten bij de Belgische Federatie voor Psychologen. We kregen een respons van 176 psychologen, wat neerkomt op 25%. Een belangrijk deel (59) was niet ingevuld wegens: andere werksetting (50; vooral CGG of onderzoeksfunctie), andere doelgroep (5) of andere reden (3). Twee enquêtes kwam te laat binnen. We vroegen de psychologen uitdrukkelijk de enquête alleen in te vullen als men niet in een CGG werkte en blanco terug te sturen als dit wel het geval was.

5.2 Resultaten

Gemiddeld doet een klinisch psycholoog (buiten een CGG of CLB) 33 intakes per jaar bij vrouwelijke cliënten tussen 12 en 25 jaar. Ongeveer 25% van deze eerste aanmeldingen betreffen personen met een eetstoornis. Er blijken zich twee groepen psychologen af te tekenen: psychologen die slechts enkele cliënten hebben met een eetstoornis, versus psychologen die tientallen cliënten met een eetstoornis begeleiden. Ongeveer een kwart van de psychologen behandelt drie vierde van de cliënten met eetproblemen. Een derde van de cliënten met een eetstoornis wordt verwezen door de huisarts (31%) en een vijfde neemt zelf het initiatief (22%). Ook klinieken en psychiaters verwijzen vaak door naar de psycholoog. Ongeveer een kwart wordt doorverwezen door andere instanties. Verschillende factoren spelen mee om tot de diagnose 'eetstoornis' te komen: gedragskenmerken (28%), gewicht (23%), klinische indruk (22%) en persoonlijkheidskenmerken (20%). Het uitblijven van menstruatie is een weinig belangrijke indicator (7%). Verdere behandeling door de psycholoog gebeurt meestal op individuele basis (61%), maar ook een gezinsgerichte aanpak (25%) en groepsbegeleiding (10%) zijn duidelijk aanwezig. Opvallend is dat de psycholoog slechts in 10% van de gevallen de enige therapeut is. Maar een echte samenwerking komt slechts wisselend voor (31-50%) en dit meestal met de huisarts en de psychiater (dit zijn ook vaak de verwijzers). Als de psycholoog doorverwijst gebeurt dit het meest naar de huisarts of de psychiater. Psychologen ervaren problemen inzake doorverwijzing. Ze vermelden dat er gebrek is aan gespecialiseerde behandelingseenheden. Ook zijn er bij diverse gespecialiseerde centra wachtlijsten. Doorverwijzing gebeurt niet enkel op basis van de ernst van de problematiek, maar ook als de vooropgestelde therapeutische doelstellingen inzake gewicht of afname van braken/eetbuien niet worden bereikt. Niet-gespecialiseerde psychologen verwijzen door vanwege grote gezondheidsrisico's.

5.3 Conclusies

Onder de klinisch psychologen met een eigen praktijk zijn er grote verschillen inzake aanpak van eetstoornissen: een groot aantal van deze cliënten wordt behandeld door een kleine minderheid van de psychologen. Volgende maatregelen worden door de respondenten gesuggereerd om de zorg te verbeteren: · Het systematisch uitbouwen van netwerken tussen gespecialiseerde hulpverleners (met regelmatig overleg of intervisie) kan het competentieniveau doen stijgen. · Voor tijdige herkenning en gerichte doorverwijzing is samenwerking nodig met diensten of instellingen die werkzaam zijn op dit terrein. · Het regelmatig aanbieden van gespecialiseerde opleidingsprogramma's over dit thema wordt wenselijk geacht.

terug naar inhoudstafel

6 PSYCHIATERS

6.1 Respons

We stuurden de enquête naar 190 psychiaters (een selectie uit een adressenbestand van een farmaceutische firma's waaruit zoveel mogelijk de als neuroloog werkzame artsen werden geschrapt). We kregen een respons van 40 psychiaters, wat neerkomt op 21% (1 antwoord was niet bruikbaar). Ook hier werd gevraagd enkel te antwoorden als het betreffende werk geen betrekking had op een CGG.

6.2 Resultaten

Gemiddeld per jaar doet een psychiater een eerste raadpleging bij 77 meisjes of jonge vrouwen. Net zoals bij de psychologen wordt bij ongeveer 25% van deze intakes een eetstoornis vastgesteld. In tegenstelling tot de psychologen is geen opvallend verschil in 'specialisering' vast te stellen al kunnen we dit wel vermoeden uit de antwoorden (maar we moeten rekening houden met de beperkte enquêterespons). De meeste patiënten worden doorverwezen door de huisarts (33%), verder door een collega-psychiater (16%) en door een psycholoog (11%). Patiënten nemen in 19% van de gevallen zelf het initiatief tot raadpleging. De verwijzing komt in mindere mate vanuit klinieken (20%) en andere residentiële settings (7%). Verschillende factoren spelen mee om tot de diagnose 'eetstoornis' te komen: gedragskenmerken (34%), klinische indruk (23%), gewicht (16%) en persoonlijkheidskenmerken (16%). Het uitblijven van de menstruaties wordt door de psychiaters slechts in 11% van de gevallen vermeld als indicator voor de diagnose. Als de psychiater zelf de patiënt verder begeleidt, hetgeen slechts bij een kleine minderheid het geval is, gebeurt dit meestal in samenwerking met een psycholoog (35%), in mindere mate met een diëtist (21%) of met de huisarts (18%). De grote meerderheid van de patiënten wordt niet verder begeleid door de psychiater. Tussen 70 en 90% wordt voor verdere behandeling doorverwezen: meestal naar een psycholoog (35%) of naar een meer gespecialiseerde psychiater (28%); zeldzamer naar een diëtist (9%) of de huisarts (3%). Bij meer ernstige problemen wordt er in de regel doorverwezen naar meer gespecialiseerde hulpverleners en naar residentiële settings. Dit hoog doorverwijsgedrag kan ook andere redenen hebben zoals onvoldoende tijd of ervaring.

6.3 Conclusies

Met betrekking tot psychiaters was de ondervraagde groep relatief klein. Over het algemeen neigen ze er snel toe patiënten met eetstoornissen door te verwijzen. Ze vermelden de beperkte samenwerkingsmogelijkheden en het gebrek aan ambulante groepstherapie als probleem inzake doorverwijzing. De gewenste maatregelen tot verbetering van de zorg zijn dezelfde als bij de klinisch psychologen: organisatie van netwerken, bijscholing, betere doorverwijsmogelijkheden, en educatiepakketten.

terug naar inhoudstafel

7 PSYCHIATRISCHE AFDELINGEN EN KLINIEKEN

7.1 Respons

Er werden in totaal 167 klinieken aangeschreven: psychiatrische afdelingen van een algemeen ziekenhuis (PAAZ) en psychiatrische klinieken (PK). In totaal reageerden 36 diensten, wat neerkomt op een respons van 22%. Tien vragenlijsten werden niet gebruikt in het onderzoek: andere doelgroep (9), onvolledig ingevuld (1). We baseren onze verwerking op 26 ingevulde enquêtes: 13 PAAZ en 13 PK. Gezien de beperktheid van de steekproef, kunnen we geen statistisch verantwoorde vergelijking maken tussen PAAZ en PK. Daarom spreken we verderop in het algemeen van 'psychiatrische afdelingen'. Indicatief wordt in de tekst soms een verschil aangegeven.

7.2 Resultaten

Gemiddeld krijgen psychiatrische afdelingen 77,2 opnames van vrouwen en meisjes tussen 12 en 25 jaar per jaar (PAAZ: 68, PK 80; er is hierbij een grote spreiding van 0 tot 500). Een eetstoornis wordt vastgesteld bij ongeveer 25% van de opnames in PK en 13% PAAZ. Bij de totale groep van psychiatrische afdelingen is er sprake van specialisatie: sommige PAAZ en PK behandelen geen eetstoornissen tegenover enkele anderen die er veel zien; de middengroep is beperkt. Opvallend veel patiënten worden doorverwezen vanuit een andere kliniek (36%) of vanuit een privé-praktijk (33%). De huisarts is daarbij de voornaamste verwijzer (30%), gevolgd door de psychiater (24%). De huisartsen verwijzen meer door naar de PAAZ, de psychiaters meer naar PK. Patiënten nemen in 20% van de gevallen zelf het initiatief. PK krijgen ongeveer dubbel zo veel verwijzingen vanuit andere klinieken en vanuit CGG dan PAAZ. Verschillende factoren spelen mee om tot de diagnose 'eetstoornis' te komen: gedragskenmerken (23%), klinische indruk (24%), gewicht (25%) en persoonlijkheidskenmerken (17%). Uitblijven van menstruatie wordt door PAAZ & PK maar in 11% van de gevallen gescoord als parameter. Van de patiënten met een eetstoornis wordt 30% niet verder in de eigen kliniek behandeld maar doorverwezen naar een andere PK/PAAZ. Na behandeling in de eigen kliniek wordt er meestal doorverwezen naar een psychiater (49%) en ook vaak naar een psycholoog (24%). Verwijzingen naar de huisarts (15%) zijn eerder zelden, maar een PAAZ verwijst dubbel zo veel door naar de huisarts dan een PK.

7.3 Conclusies

De aangeschreven groep is zeer heterogeen en de beperkte respons noopt tot voorzichtige conclusies. Blijkbaar komen eetstoornispatiënten toch bij heel wat klinieken terecht, maar zijn er enkele duidelijk gespecialiseerd. De respondenten vermelden tekorten in het behandelaanbod (lange wachtlijsten, tekort in jongerenpsychiatrie, met name voor eetstoornispatiënten onder de 15 jaar) en tekorten in de eigen werking (te weinig tijd, opvang en ervaring). Verder pleiten ze voor meer voorlichting met aandacht voor gezond eetpatroon, autonomieontwikkeling, positief zelfbeeld, en informatiebehoeften vanwege de omgeving.

terug naar inhoudstafel