|
|
Jongeren met eetstoornissen
|
|||||||||||||||||||||
|
algemeen
|
Professionalisering van preventie en behandeling van JONGEREN MET EETSTOORNISSENOnderzoeks- en vormingsproject van de K.U. Leuven met steun van de
Vlaamse Gemeenschap, Ministerie van Welzijn, Gezondheid en Gelijke
Kansen
|
| Preventie primair |
Detectie | Motivering & doorverwijzing |
Begeleiding | |
| Huisarts | XXX | XXX | XX | |
| CLB-arts | XX (via scholen) |
XXX | XX | X |
| Welzijnsdiensten | XX (informatie) |
X | X |
Van werkers in de eerstelijnszorg wordt niet meteen verwacht dat ze cliënten met een eetstoornis zelf kunnen begeleiden, maar wel wordt van hen in mindere of meerdere mate een bijdrage verwacht bij de primaire preventie, de vroegtijdige detectie, de motivering tot behandeling en doorverwijzing (zie schema). De huisarts is goed geplaatst om de eerste detectie te doen en na te gaan of er op basis van een eerste medisch onderzoek veel 'haast' nodig is voor dringende therapie. De CLB-arts heeft een numeriek groot contact met de groep waarbinnen een eetstoornis vaak ontstaat en speelt zo een grote rol bij vroegtijdige herkenning.
Er worden heel wat problemen gesignaleerd inzake juiste herkenning van eetstoonissen. Dit is niet verwonderlijk gezien eetproblemen vaak door de betrokken persoon worden ontkend, verzwegen of geminimaliseerd. Binnen de eerste- en tweedelijnszorg wordt een eetstoornis vaak slechts na verloop van tijd of tijdens de behandeling voor een ander probleem ontdekt. Het niet of erg laat onderkennen van een eetstoornis is een belangrijk probleem waaraan gewerkt moet worden. Enerzijds betekent dit dat de betrokken hulpverleners voldoende basiskennis moeten hebben om een eetstoornis te herkennen. Anderzijds zou de kans op detectie kunnen verbeteren door gebruik te maken van een eenvoudig screeningsinstrument (bijv. een korte vragenlijst of checklist). Het herhaald algemeen medisch onderzoek van leerlingen op een CLB biedt uitzonderlijke mogelijkheden tot vroegtijdige herkenning van jongeren die een risico lopen een eetstoornis te ontwikkelen. Met behulp van systematische screening en automatisering van de gegevensverwerking zouden deze unieke mogelijkheden van (secundaire) preventie geoptimaliseerd kunnen worden. We hopen dat hiervoor in de toekomst de kansen gecreëerd worden om met ondersteuning van wetenschappelijk onderzoek deze bijzondere taak efficiënter uit te bouwen.
In de enquête melden huisartsen, CLB-artsen en eerstelijnswerkers dat ze over onvoldoende expertise en tijd beschikken voor de begeleiding van patiënten met een eetstoornis. Ze beseffen dus het belang van deskundige behandeling en wijzen dan ook vaak door (circa 70%). Er worden echter heel wat problemen gesignaleerd inzake mogelijke doorverwijzing. Enerzijds is er een gebrek aan kennis over de doorverwijsmogelijkheden, anderzijds worden de bestaande behandelingsmogelijkheden als te beperkt ervaren. Ook is er nood aan informatie over gespecialiseerde behandelingen: waar en bij wie is deskundige behandeling te vinden? De hier uitgevoerde zorginventarisatie zou als vertrekpunt kunnen dienen om de behandelingsmogelijkheden in Vlaanderen in kaart te brengen. In dit opzicht zou het een belangrijk initiatief zijn om binnen de bestaande structuren van CGG's de preventie en behandeling van eetstoornissen tot een bijzonder aandachtspunt te maken. Dit zou er bijvoorbeeld kunnen toe leiden dat de beschikbare kennis en deskundigheid op dit vlak beter verspreid worden volgens de behoeften van een regio.
Eetstoornissen vormen een bijzondere problematiek die door haar complexiteit een multidisciplinaire benadering behoeft. Ook dit is een rode draad in de bevindingen van de enquête. Deze multidisciplinariteit wordt binnen de bestaande gespecialiseerde residentiële centra gerealiseerd, maar bij ambulante behandeling is die vaak afwezig. Heel wat patiënten komen ofwel in een 'medisch' circuit terecht waar psychologische/psychotherapeutische begeleiding veronachtzaamd wordt, ofwel komen ze in begeleiding bij allerlei niet-medisch geschoolde hulpverleners die onvoldoende op de hoogte zijn van de lichamelijke aspecten van een eetstoornis. Hier is duidelijk behoefte aan het ontwikkelen van richtlijnen (protocol) voor de diagnose en behandeling van eetstoornissen. Netwerkvorming met diverse hulpverleners is wellicht de belangrijkste noodzaak voor de toekomst. Het voorbeeld van Nederland (zie blz 9-10) kan hier inspirerend zijn en sluit aan bij het idee van 'zorgcircuits' dat momenteel in de (geestelijke) gezondheidszorg wordt vooropgesteld. Eetstoornissen vormen in dit opzicht een bijzondere uitdaging omdat ze de traditionele structurele grenzen van de gezondheidszorg overschrijden: het gaat immers om een problematiek die op jeugdige leeftijd kan beginnen en doorlopen tot in de volwassenheid, en waarbij in verschillende graden van ernst een complexe wisselwerking optreedt tussen lichamelijke en psychosociale factoren. Met andere woorden: een strakke scheiding van de zorgverlening volgens leeftijdscategorieën of structurele organisatie (ambulant versus residentieel) wordt hier als een belangrijke hindernis ervaren. Indien de netwerkvorming volgens het Nederlandse piramidemodel wordt uitgewerkt - met verschillende niveaus van specialisatie - kan niet alleen de deskundigheid bij de hulpverlening beter worden gespreid, maar kunnen ook preventieve acties beter gestuurd en begeleid worden.