terug naar 
 

 

Seksualiteit & eetstoornissen

algemeen
welkom  
publiceren 
links   
materiaal  
artikels & teksten
belastende ervaringen
  
zelfverwonding  
preventie in scholen 
leerkrachten (lager) 
leerkrachten (secundair) 
project Vlaamse Gemeenschap 
draaiboek CLB 
Netwerkdag
seksualiteit 
EDI-II-NL  
presentaties (slides) 
terugval bij herstel 

 






 

 

 



Hoofdstuk 13: Seksualiteit
Elly Van Vreckem en An Vandeputte

Inhoudstafel

0. Inleiding
1. Achtergronden
2. Onderzoeksgegevens
3. Invloed van persoonlijkheid en lichaamsbeleving 
4. Behandeling
4.1 Seksualiteit als focus van therapie? 
Intimiteitsparadox - Zwakke zelfstructuren - Schuldgevoelens - De persoon van de therapeut 
4.2 Van psycho-educatie tot therapie   
Eerste ervaringen met seksualiteit - Voorlichting - Vrouwelijkheid en mannelijkheid - Partnerkeuze - Verliefdheid - Lichamelijk contact - Seksueel contact en fantasie - Valkuilen 

4.3 Behandeling van traumatische ervaringen 
5. Discussie

4 Behandeling

Uit het voorgaande zal duidelijk zijn dat de behandeling van de seksualiteitsbeleving van eetstoornispatiënten niet als een apart gegeven kan worden bekeken maar thuishoort in een multidimensionale therapie. Dit geldt ook voor de aanpak van traumatische ervaringen zoals seksueel misbruik, hetgeen verderop apart besproken wordt. Hier belichten we de mogelijkheden van specifieke therapeutische aandacht voor seksualiteit. Persoonlijke kennis, houding en ervaring ten aanzien van seksualiteit moeten eerst aan bod komen. Het specifiek aanpakken van seksuele dysfuncties kan slechts daarna gebeuren, in een voldoende veilig therapieklimaat. Behandelaars ervaren regelmatig dat een te directe confrontatie met de seksuele problemen aanleiding kan geven tot een terugval of verergering van eet- en gewichtsproblemen, of tot een vroegtijdig afbreken van de behandeling. 

Zo ondervonden Simpson en Ramberg (1992) dat paradoxaal genoeg eetstoornispatiënten binnen hun residentiële behandeling met aandrang sekstherapie vroegen, maar daarna niet werkten met de aanbevolen technieken en de therapie zelfs stopzetten. Eenzelfde ervaring hebben wij met traumapatiënten. Hier komen we later op terug. 

terug naar inhoudstafel

4.1 Seksualiteit als focus van therapie? 

In de literatuur is weinig geschreven over de behandeling van de seksualiteitsbeleving bij eetstoornispatiënten. De meeste auteurs vinden psycho-educatie en ontspanningstechnieken aangewezen bij deze angstige en gespannen patiënten. Op die manier kunnen eetstoornispatiënten meer zelfvertrouwen ontwikkelen en experimenteren met gewone seksuele ervaringen (Woodside e.a. 1993). Simpson en Ramberg (1992) beschrijven een specifieke individuele behandeling van vijf eetstoornispatiënten. Het ging om een individuele steunende psychotherapie binnen een residentiële behandeling. Zij maakten gedragstherapeutische afspraken (volgens het principe van systematische desensitisering) en gaven lees- en kijkopdrachten. De vrouwen reageerden aanvankelijk met gevoelens van angst, daarna van dankbaarheid en enthousiasme. Naarmate de therapie echter vorderde, werd de weerstand alsmaar groter. Belangrijk was dat men kon stoppen wanneer men wilde. 

Alle deelnemende vrouwen vermeldden dat vroegere seksuele verlangens sterk verminderden bij de aanvang van de eetstoornis. De rode draad door de therapie was onwetendheid rond basisinformatie over seksualiteit, afkeer van eigen naaktheid en coïtus, weinig seksuele verlangens, anorgasmie en onvermogen om het eigen lichaam aan te raken voor het plezier zelf. In de therapie werd de partner zoveel mogelijk betrokken. Allerlei oefeningen werden stapsgewijze toegepast: aanrakingen van zichzelf; het uitlokken, vasthouden en genieten van aangename sensaties bij zichzelf; spiegeloefeningen en oefeningen van zelfbevrediging. De auteurs benadrukken dat dit een zeer moeizaam proces is dat zeer ambivalente gevoelens oproept, wat overeenkomt met onze therapeutische ervaringen. Hoe kunnen we deze weerstand begrijpen? 

terug naar inhoudstafel

Intimiteitsparadox 

Vanuit een sociaal-cultureel standpunt benadrukt men het zoeken van de vrouw naar de ideale liefdesrelatie, naar verbondenheid, intimiteit en veiligheid. Nu blijkt seksualiteit enerzijds niet langer veilig te zijn door negatieve seksuele ervaringen, frequente echtscheidingen, wisselende relaties, lichamelijke ziekten (AIDS) en degelijke. Anderzijds willen vrouwen steeds meer passen in de wereld van competitiviteit, met het gevaar dat ze in een spanningsveld tussen zelfexpressie en gerichtheid op de ander komen, zowel maatschappelijk, emotioneel als seksueel. Interessant in dit verband zijn de bevindingen van Lobitz en Lobitz (1996) die een seksuele intimiteitsparadox beschrijven. Er blijkt een merkwaardige relatie tussen intimiteit en erotisch verlangen, waarbij men merkt dat in gelijkwaardige, communicatieve en rustige paren vaak nog weinig seksuele passie voorkomt. Voor dit laatste blijken spanning, avontuur, verandering, ontdekking en dergelijke nodig. Lobitz en Lobitz werken bij elk paar naar een ontwikkeling van de explosieve verliefdheidsfase, over de fase van sterke vereniging, naar een verbondenheid waarin elke partner zijn eigen identiteit terugvindt en herstelt, de pijn van het verschillend en alleen zijn ervaart, en ten slotte komt tot het liefdevol respecteren van elkaars verschillen, ook van seksuele verlangens. Het lijkt wel alsof in dit model de eetstoornispatiënten vroegtijdig geblokkeerd zijn: ze verlangen in een relatie vooral naar de verbondenheid en vinden het verschillend en alleen zijn vaak erg bedreigend. 

terug naar inhoudstafel

Zwakke zelfstructuren 

Zerbe (1992) vermeldt als belangrijke reden voor de weerstand tegenover een therapeutische focus op seksualiteit een tekort aan psychische draagkracht. Zij meent dat eerst de zelfstructuren versterkt moeten worden door cognitieve herstructurering en gedragscontrole van de eetstoornis, voor men met een specifieke sekstherapie kan starten. Belangrijke aandachtspunten zijn volgens Zerbe de neiging tot versmeltende relaties en de uitingen van 'fragmentatie' van het zelf in de vorm van overweldigende angst, woede, schaamte, verslaving en somatisering. Patiënten blijken niet naar zichzelf te kunnen kijken met een 'dat kan ermee door' gevoel. Ze vermijden om in de spiegel te kijken en hebben geen liefdevolle 'waas' waardoorheen ze naar hun lichaam kunnen kijken. Hopelijk kan hun partner dat wel. Bij boulimiapatiënten is de seksuele activiteit vaak geen seksuele expressie, maar een zoeken naar veiligheid, verzadiging, naar een alomvattende zorgdrager (Zerbe 1992). Door het 'versmelten' met iemand anders vermindert tijdelijk die intense angst. Maar ook dit duurt niet lang, daar het als een overrompelende ervaring beleefd kan worden door iemand die toch al zo moet vechten om zichzelf staande te houden. Zo komt men tot de typische beweging van aantrekken-en-afstoten in relaties die herkend kan worden bij eetstoornispatiënten (met name boulimia nervosa). In dit verband is het heel belangrijk om hun te leren voor zichzelf te zorgen, zichzelf te troosten en positieve aandacht te geven (Espen e.a. 1999). 

terug naar inhoudstafel

Schuldgevoelens 

Een volgend belangrijk knelpunt zijn de schuldgevoelens. Eetstoornispatiënten voelen zich vaak schuldig over alle vormen van plezier, geluk, genot en dergelijke. Ze zijn veelal streng en plichtsbewust. In de vorming van het geweten spelen ouders, school en maatschappij een grote rol. Een overdreven streng geweten ontstaat onder andere ten gevolge van parentificering, wanneer kinderen te vroeg te veel verantwoordelijkheden (moeten) opnemen. Verscheidene auteurs wijzen er ook op dat vrouwelijke seksuele fantasieën een massale verdringing vertonen van seksuele spanning en instinctief handelen, terwijl deze juist kunnen bijdragen tot het behouden van de seksuele passie (Zerbe 1992; Lobitz & Lobitz 1996). 

Daarbij zouden vrouwen ertoe neigen te refereren aan onzichtbare en onmeetbare doelen. Magerheid voor de anorexiapatiënt kan dan begrepen worden als 'het onbereikbare bereikbaar maken'. Het is zo moeilijk om deze 'voldoening' los te laten voor gewone, lijfelijke, actieve en gepassioneerde seksualiteit. Om te komen tot volwassen seksualiteit moeten vrouwen met een eetstoornis de strenge, innerlijke controle - een weerspiegeling van het moederbeeld? - loslaten om te ontwikkelen naar een milder, positief geweten. Uit de praktijk blijkt dat zij hun vaak liefdevolle en geduldige partner onvoldoende toelaten tot hun ontoegankelijke geweten en bijgevolg ook tot hun lichaam. Het lijkt wel alsof seksualiteit de angst voor afwijzing bij eetstoornispatiënten activeert (Zerbe 1992). Zij vrezen afgewezen of verlaten te worden door hun ideaal (moeder of partner?). Meisjes kunnen zich ook schuldig voelen als ze gelukkiger zijn en meer seksueel kunnen genieten dan hun moeder. Het lijkt dan alsof ze hun moeder, bij sommigen hun vader of beide ouders, in de steek laten. Meisjes, met name anorexiapatiënten, blijven dan loyaal door hun aseksualiteit (Zerbe 1996). 

Ten slotte blijkt ook een diffuse, negatieve of verwarrende lichaamsbeleving bij eetstoornispatiënten een rol te spelen in de seksualiteitsbeleving (zie hoofdstuk 12). Vaak spreken patiënten over seksualiteit als iets vies en vuils. Dit is begrijpelijk wanneer zij fysiek of seksueel misbruik hebben ervaren, maar dat geldt slechts voor een minderheid. Mogelijk speelt hier de (seksuele) opvoeding een belangrijke rol, alleen is dit retrospectief moeilijk na te gaan. 

terug naar inhoudstafel

De persoon van de therapeut 

Bij een dergelijk delicaat en complex thema kan de persoon van de therapeut een cruciale rol spelen (zie hoofdstuk 16). Uit onze ervaring zouden we de houding van de therapeut kunnen omschrijven als 'voorzichtig, actief, mild, informatief en positief'. De therapeut geeft de boodschap dat men fatsoenlijk en respectabel kan zijn en tegelijkertijd openlijk seksuele thema's kan bespreken. De patiënt krijgt een unieke kans om misvattingen uit het verleden recht te zetten. 

Het is belangrijk om de grenzen en de draagkracht goed te bewaken zodat de therapeut en/of de therapie niet als overrompelend of bedreigend wordt ervaren. Wat het geslacht van de therapeut betreft, vragen vrouwelijke eetstoornispatiënten vaak zelf naar een vrouwelijke therapeut, zéker als het thema seksualiteit aan bod komt. Toch ervaren zij ook tegenstrijdige gevoelens ten opzichte van vrouwelijke therapeuten en hun eigen vrouwelijkheid. Ze verlangen er enerzijds naar om zich vrouw te voelen en toch zijn ze er ook bang voor: angst voor kritiek, angst om op hun moeder (en haar lichaam) te gelijken. Vrouwelijke therapeuten kunnen vooral in het begin van het therapeutisch proces veel veiligheid en herkenningspunten bieden (dit is zeker het geval bij ervaringen van seksueel misbruik door mannen; zie verderop). Zij kunnen zelf uitstralen dat het fijn is om vrouw te zijn en dat bevredigende, gelijkwaardige relaties met mannen mogelijk zijn (Zunino e.a. 1991). Wanneer er voldoende gewichtsherstel is (bij anorexia nervosa) en patiënten experimenteren met gevoelens van verliefdheid, schijnen zij naar onze ervaring de mannelijke aanwezigheid en invalshoek meer te kunnen toelaten. Een mannelijke therapeut kan naast zijn verschillend zijn ook zijn respect, begrip en meevoelen tonen. Hij kan ook aangeven dat iemand niet 'mooi' hoeft te zijn om toch aantrekkelijk te zijn. 

Anorexiapatiënten worden tijdens hun herstelfase soms voor het eerst verliefd. Dan kunnen ze die verliefdheid richten op een mannelijke therapeut als ze die aardig en inlevend vinden. De therapeut dient hier op bedacht te zijn en dit proces professioneel te kunnen hanteren, door de aandacht voor de andere sekse voorzichtig te stimuleren. Het is ook goed dat therapeuten alert blijven voor overdreven bezorgdheid, nieuwsgierigheid en/of afgunst ten aanzien van het ontluikende seksleven van hun patiënten (Zerbe 1996): dit kan de behandelaars immers confronteren met het besef dat ze zelf ouder worden! Hoe al deze aspecten zich voordoen bij mannelijke eetstoornispatiënten is niet beschreven en persoonlijk hebben we te weinig ervaring om hierover uitspraken te doen. 

terug naar inhoudstafel

4.2 Van psycho-educatie tot therapie 

In de residentiële behandeling van eetstoornispatiënten hebben we reeds vele jaren ervaring met themagroepen rond seksualiteit (Van Vreckem & Vandereycken,1994; zie ook Balakrishna & Crisp 1998; Lonergan 1993). We verkiezen een onderscheid te maken tussen een 'beginnende' groep (vaak jongere patiënten met weinig seksuele ervaring) en een meer 'ervaren' groep, om zoveel mogelijk aansluiting te vinden bij de belevingswereld. Een deel van de groepssessies is vooral informatief en gericht op een jonge patiëntenpopulatie. De belangrijkste bedoeling van de themagroep is om vaker en vrijer over seks te kunnen praten. In de (niet-thematische) groepspsychotherapie komen dan de intieme, persoonlijke en soms moeilijke thema's aan bod rond lichaamsbeleving en seksuele ervaringen uit heden of verleden. De themagroepen zijn vooral bedoeld om de plezierige en groeibevorderende aspecten van seksualiteit te benadrukken. 

De concrete vormgeving van dergelijke themagroepen kan verschillen naargelang de intensiteit en de inbedding in een bestaand behandelingsprogramma. Daarbij is het een belangrijk voordeel als de begeleider ook de therapeut van de deelnemers is (zoals dit bij ons het geval is) omdat dit aanzienlijk bijdraagt tot de nodige sfeer van veiligheid en vertrouwen. Aangezien het gaat om (half)open groepen werken we een reeks thema's uit, die na verloop van tijd opnieuw aan bod komen. We treden hierbij zelf sturend op (afgestemd op de samenstelling van de groep) maar laten de deelnemers voldoende vrije keuze. Buiten de sessies wordt er ook met opdrachten gewerkt, ter voorbereiding van een volgende bijeenkomst: bijvoorbeeld kies een voorlichtingsboek, schrijf het verhaal van je eigen seksuele ontwikkeling, zoek discussiemateriaal in tv-programma's of video's. 

We leggen de deelnemers telkens een aantal thema's voor waaruit ze kunnen kiezen: verliefdheid, lichaamsbeleving gekoppeld aan seksualiteit, menstruaties, homoseksualiteit, vruchtbaarheid en contraceptie, partnerkeuze, seksuele ervaringen, seksuele fantasieën en dergelijke (Van Vreckem & Vandereycken,1994). De groepsleden kunnen ook een eigen thema inbrengen naar aanleiding van een discussie, een tv-programma, een artikel in krant of tijdschrift, actuele ervaringen enzovoort. Deelname aan de themagroepen is vrijblijvend maar wordt pas toegestaan als er een verbetering optreedt in de specifieke symptomen van de eetstoornis (bijvoorbeeld behoorlijke gewichtstoename bij anorexia nervosa). Voor patiënten met een seksueel traumatische geschiedenis wordt meestal geopteerd voor een individuele therapie, waarin het bespreken van de seksuele problemen aan bod kan komen, rekening houdend met hun actuele draagkracht en motivatie.

terug naar inhoudstafel

Eerste ervaringen met seksualiteit 

In de themasessie rond eerste ervaringen met seksualiteit willen we het thema ontdoen van spanning, schaamte en angst. De sessie is luchtig, het accent ligt op de speelse aspecten van seksualiteit. Er worden grappen en anekdotes verteld, er wordt gelachen en gegiecheld. Patiënten kijken terug naar hoe ze vroeger als kind speelden, dachten en voelden. Ze vertellen over wat ze zagen of hoorden bij hun ouders, familie en vrienden. Ze veranderen even van rol als hun gevraagd wordt hoe ze zouden reageren als ze zelf ouder zijn van kinderen die spelenderwijs ontdekken hun seksualiteit ontdekken. 

In de groep vertellen Joke en Agnes over hun eerste ervaringen met seksualiteit. Joke herinnert zich hoe ze steeds tussen haar ouders kroop als die elkaar wilden zoenen, en hoe heerlijk ze dat vond. Ze vond het leuk dat ze een meisje was, en keek uit naar de eerste beha. Ze dacht dat haar borstjes sneller zouden groeien als ze er regelmatig in kneep. Ze kreeg van een tante al vroeg een beha, maar kon die pas veel later aandoen. Ze was eerder een late rijper en verlangde naar haar eerste menstruatie. 

Agnes herinnert zich hoe ze vroeger als een jongen probeerde te plassen, en voelt zich wat beschaamd in de groep terwijl ze dit vertelt. Ze wou niet graag een meisje zijn, en probeerde zich altijd stoer te kleden. In het gezin werd de tv afgezet als er teveel bloot kwam, en ze zag haar ouders maar één keer naakt, toen ze als klein meisje onverwachts op de hotelkamer kwam tijdens een vakantie. Ze vond dat toen vies en liep weg. Haar buurmeisje Julia maakte soms grapjes over de bedgeluiden van haar ouders. Dan droomde Julia over zelf kinderen krijgen met een lieve partner. Agnes kon er allemaal niet bij. Was er maar een manier om kinderen te krijgen zonder al die herrie … Wat was ze blij dat haar menstruaties nu wegbleven. 

terug naar inhoudstafel

Voorlichting 

Steeds weer gaan we ervan uit dat seksuele voorlichting geenszins overbodig is. We vragen naar het soort voorlichting dat ze kregen en bij wie ze met hun vragen terechtkonden. De voorlichting was vaak schools en kunstmatig, een 'biologieles'. Uiteraard kan hun eigen onzekerheid op dit vlak ertoe bijdragen dat patiënten het thema intellectualiseren en zo 'op afstand' houden. Daarom worden ze gestimuleerd zelf te oefenen: hoe zouden zij zelf voorlichting geven aan kinderen? Ze moeten zelf voorlichtingsboekjes meebrengen en we bespreken ze. We laten het thema ook voorbereiden door groepsleden. Ze krijgen voorlichtingsboekjes, een anticonceptiequiz en een koffertje met staaltjes. Apart aandacht wordt gegeven aanveilig' vrijen en condoomgebruik. 

Het thema voorlichting laat ook toe ervaringen te bespreken van gynaecologisch onderzoek: voor sommigen compleet onbekend, voor anderen een nachtmerrie. Een goede uitleg door een groepslid van wat er precies gebeurt, werkt geruststellend. Ten slotte is voor patiënten met een eetstoornis erg belangrijk de opvattingen en belevingen rond menstruaties ter sprake te brengen. 

Joke vertelt over hoe haar ouders op een dag voorlichting begonnen te geven met een boek erbij. Ze vond het wat gemaakt en zou het bij haar eigen kinderen zeker anders aanpakken. Ze zou het gaandeweg doen, als er een vraag of aanleiding toe is. 

Agnes kan zich geen voorlichting herinneren thuis. Haar moeder toonde haar alleen waar ze het maandverband kon vinden voor als ze bloed begon te verliezen. Ze hoorde van Julia hoe dat ging, en kreeg uitleg op school. Ze herinnert zich nog hoe de leerkracht op voorhand zei dat niemand mocht lachen, anders kreeg die straf. Al bij al was het een heel gedoe, waar ze zelf toentertijd niet veel vragen bij stelde. Tegelijk geeft ze toe nu wel met veel vragen te zitten. Ze voelde zich vroeger immers de mindere van Julia en durfde daarom niets meer te vragen. Nu piekert ze erover hoe het komt dat ze nog nooit verliefd werd op een jongen… 

terug naar inhoudstafel

Vrouwelijkheid en mannelijkheid 

Met enkele foto's of afbeeldingen van vrouwen die ze als positief ervaren, komen patiënten naar deze sessie toe. Wat is er 'vrouwelijk' aan: lichaamsbouw, kleding, manier van praten, reageren, omgaan? Wat is dan 'mannelijk'? Welke vrouwelijke en mannelijke kanten ervaren patiënten bij zichzelf? De band wordt gemaakt met de eigen opvoedingscontext. Welke voorbeelden en opvattingen kregen ze thuis mee? Verder komen ook stereotypen over mannen ter sprake: 'Ze willen steeds seks', 'Ze zijn dominerend', 'Je kunt niet met ze over gevoelens praten' enzovoort. De sessie wordt afgesloten met de opdracht die avond iets te doen waarin de eigen vrouwelijke kant op een prettige manier geaccentueerd wordt. 

Het besef dat vrouw-zijn meer is dan mooi zijn en dat het voor ieder verschillend is, kan heel stimulerend werken. Nochtans vindt Agnes dit thema maar niets. Ze vindt het raar om bij haar eigen vrouwelijke en mannelijke kant stil te staan. 'Je kunt dat toch niet opsplitsen! Ik voel me niet vrouwelijk en ook niet mannelijk. Ik ben gewoon Agnes.' 

Als Joke haar vertelt over hoe ze zich vrouwelijk kan voelen in de manier waarop ze creatief is, of in de manier waarop ze danst, kijkt Agnes verbaasd. Vrouwelijkheid is dan veel meer dan het seksuele waaraan ze eerst dacht. Joke vertelt verder hoe ze ervan kan genieten om haar vaders jas aan te trekken en in de tuin zwaar werk te doen; dan voelt ze haar mannelijke kant. Heel anders is het als ze in het weekeinde geschminkt en in een lange jurk met haar vrienden uitgaat. De aandacht van jongens doet haar dan prettig vrouwelijk voelen.

terug naar inhoudstafel

Partnerkeuze 

Hier staan we vooral stil bij herhalingspatronen. Vertrekkende vanuit een paar stereotypen (de jongste dochter als verwend kind, de medeafhankelijke dochter in een gezin waar vader drinkt, de zorgende dochter in een gezin met jongere kinderen) leren patiënten kijken naar hun eigen ontwikkeling. Welke rol nam ik op in mijn gezin van herkomst? Op welke terreinen trek ik dit door naar vandaag? Ze fantaseren voor elkaar waar ze behoefte aan hebben, en leggen het verband met specifieke behoeften en valkuilen in een partnerrelatie. Het zich aangetrokken voelen tot de onbereikbare 'playboy' of 'vaderfiguur', het verlangen om bewonderd te worden of te bewonderen, om te bemoederen of bemoederd te worden, om te controleren of gecontroleerd te worden zijn soms ongekende aspecten van partnerkeuzes die hun wortel in de jeugd van patiënten hebben. 

Agnes kan even dromen over de jongen die ze zou willen, niet de eerste de beste die lief voor haar is. Op wie zijn haar vriendinnen trouwens gevallen? Op de vraag of ze eens wil stilstaan bij mogelijke herhalingspatronen, ziet ze vooral hoe ze altijd zorgend was en weinig voor haarzelf opkwam thuis. Het werd haar 'specialiteit' probleemloos te zijn in het gezin dat al onder druk stond. Ze leerde dingen zelf aan te pakken en geen beroep te doen op anderen. Ook op school kennen weinigen haar. Ze is vooral degene bij wie anderen aankloppen. Uit het groepsgesprek wordt haar duidelijk dat ze hierop moet letten bij het kiezen van een jongen. Als ze dan terug in de zorgende rol staat en zichzelf voor hem wegcijfert, doet ze net hetzelfde als vroeger. Ze kan daarin verandering brengen door tijdig eigen gevoelens en grenzen aan te geven. Ze beaamt dat ze iemand nodig heeft met veel geduld. Zal die me wel willen? Wie houdt dit zo lang vol? 

Joke ontdekt in het groepsgesprek dat ze verliefd werd op een stoere durver - Sven was een beruchte junkie - vanuit eigen complementaire behoeften. Ze was eigenlijk altijd een 'brave' meid die nooit openlijk rebelleerde. Door die jongen te kiezen sprak ze het rebellerende deel van zichzelf aan, maar ze kon onvoldoende haar eigen grenzen aangeven tegenover hem. Ze zette zich af tegenover haar (te zorgende) omgeving, maar was nog niet sterk genoeg om zichzelf af te zetten tegen zijn eisen. 

terug naar inhoudstafel

Verliefdheid 

Voor sommigen is dit een onbekend thema, voor anderen is het heel bedreigend. Het accent ligt daarom op de speelse spanning die eraan verbonden is. Patiënten vertellen over hun eerste verliefdheid, over bang en onzeker zijn, 'vlinders voelen', durven ingaan op gevoelens en eerste stappen zetten. Hier kan ook verliefdheid op een meisje ter sprake komen. Regelmatig merken we dat patiënten worstelen met de vraag of ze nu lesbisch zijn of niet. We besteden dan apart aandacht aan het thema homoseksualiteit. Het lijkt dan vaak alsof geen seksualiteit beter aanvaard wordt dan een 'andere' seksualiteit. Het zwijgen doorbreken werkt verhelderend en demystificerend. Soms worden gevoelens van bewondering en idealisering voor vriendinnen als verliefdheid aangevoeld. Anderen kunnen enkel 'intieme' relaties met vrouwen toelaten. 

Dit thema is erg belangrijk voor Agnes, die ogenschijnlijk weinig bezig geweest is met jongens, maar nu kan vertellen over herinneringen aan gevoelens van verliefdheid. Het waren heel fijne en ook droevige momenten, als bijvoorbeeld bleek dat Julia meer aandacht kreeg. Agnes wordt wel levendiger en hoopvoller als we met de positieve belevingen het groepsgesprek afronden. 

Joke kan terug aansluiten bij haar eerste gevoelens en ervaringen voor die fatale avond. Eigenlijk was ze erg verliefd en had behoefte aan een steunende figuur; ze liet zich door Sven seksueel overrompelen omdat ze niet tijdig haar grenzen durfde aan te geven. Het opnieuw oproepen van die zorgeloze tijd voorheen verhoogt haar therapiemotivatie: ze wil weer worden als toen. 

terug naar inhoudstafel

Lichamelijk contact 

Verliefdheid roept meteen de vraag op: hoe ver laat ik de ander toe, of waar leg ik mijn grenzen? Zodra er een relatie is, gaan velen uit angst voor afwijzing anticiperen op wat de partner wil. Vooral bij eetstoornispatiënten blijkt dit sterk aanwezig, zodat ze lichamelijk contact toelaten waar ze zich slecht bij voelen. Anderen gaan zichzelf juist overdreven afschermen en iedere toenadering afketsen uit schrik voor te intiem lichamelijk contact. Velen moeten nog leren 'gewoon' (niet erotisch) fysiek contact aan te gaan of toe te staan. Dit kunnen ze in de groep op een veilige manier leren (bijvoorbeeld knuffels geven en vragen). Verder oefenen we in het non-verbaal en verbaal aangeven van eigen grenzen. Zoveel mogelijk wordt gewerkt met ervaringen van patiënten zelf, omgezet in rollenspel. 

Enkele voorbeelden: 

bulletin de disco wil je verder dansen, terwijl je vriend aandringt om 'mee te gaan' ... 
bulleteen jongen wil je thuisbrengen met de auto, maar je voelt je niet veilig ... 
bulletop een fuif wil je niet tongzoenen, maar je vriend maakt aanstalten tot … 
bulletje bent blij dat je een relatie startte, maar je wilt aangeven dat je nog geen seksueel contact wilt … 

Agnes zit er wat stil bij. Ze heeft schrik dat jongens haar laten vallen, als ze voor zichzelf opkomt. Jongens kunnen toch niet wachten? Hun enige doel is in bed te duiken ... Nu hoort ze positieve ervaringen van andere groepsleden die wel hun grenzen aangaven. Dat geeft haar wat steun om toch eens de stap te durven zetten. Ze weet alleen nog niet hoe. Kun je het maken dat je aangeeft niet meteen te willen vrijen ? 

Joke vertelt hoe Sven haar grenzen heeft overschreden. Ze durfde niet goed reageren uit angst hem te verliezen. Hij was voor haar een houvast. Door de relatie met hem had ze het gevoel iemand te zijn. Haar ouders behandelden haar plots als ouder, en bij haar vriendinnen voelde ze zich sterker omdat ze een 'stoer lief' had. Hij had zoveel voor haar gedaan, dat ze hem ook iets moest gunnen ... Ze besefte alleen niet dat ze zich achteraf zo beroerd zou voelen ... 

terug naar inhoudstafel

Seksueel contact en fantasie 

Dit thema vraagt voldoende veiligheid binnen de groep om open te bespreken: de ontdekking van het eigen seksuele lichaam, de 'spelletjes', masturbatie, eigen verlangens en opwinding, de eerste ervaring met een jongen (of meisje); maar ook de angst en afkeer, het onbekende en 'vieze', mogelijk ook promiscue contact (onder 'verdoving' van alcohol of drugs). 

Een heel moeilijk thema blijkt dat van de seksuele fantasie. Meestal wordt deze verbonden met verbod ('zonde'), ontrouw in de relatie, met zelfbevrediging en egocentrisme, terwijl het ook de relatie kan verrijken met een element van romantiek en spanning. Wat maakt een boek of film 'prikkelend'? Literatuur over vrouwelijke fantasie maakt het allemaal 'gewoon' en 'normaal'. 

terug naar inhoudstafel

Valkuilen 

Thematisch werken rond seksualiteit houdt ook enkele valkuilen in. De begeleiders moeten allereerst vermijden in een 'ouderrol' te komen. Deelname aan de groep is vrijblijvend, maar sommige patiënten hebben een duwtje nodig, terwijl anderen er nog niet aan toe zijn. Vooral bij patiënten met een traumaverleden moeten de voor- en nadelen van deelname worden afgewogen (vaak is het ook een kwestie van timing in de loop van de behandeling). 

Verder moet sommigen ook geleerd worden hun eigen privé-leven te beschermen, bijvoorbeeld patiënten die te snel geneigd zijn hun seksuele ervaringen met allerlei details 'bloot' te leggen. De groepsbegeleider moet hier beschermend en afgrenzend optreden, zowel tegenover de betrokken patiënt als tegenover de andere groepsleden. 

Eetstoornispatiënten hebben heel snel de neiging zichzelf weg te cijferen. Onderhuids zijn ze tegelijk soms erg afgunstig op degene die aandacht krijgt van de groep. De begeleider moet er daarom over waken dat men bijvoorbeeld niet strandt in een groepscultuur waar men 'misbruikverhalen' moet brengen om aandacht te krijgen of 'recht van spreken' te hebben. 

Patiënten worden in elk geval aangemoedigd om eigen ervaringen (ook die welke ze opdoen in de themagroepen en andere therapieën) in een dagboek te noteren. Voor wie moeilijk durft praten in een groep kan bijvoorbeeld het voorlezen van dagboekfragmenten een eerste stap zijn. Ten slotte is het ook belangrijk dat men zorgt voor opvang na moeilijke themasessies: de groepsleden worden aangemoedigd onderling steun te zoeken en andere teamleden worden op de hoogte gebracht. 

Het verhaal van Agnes is even belangrijk als dat van Joke. Joke mag zich niet gedwongen voelen te vertellen wat er met Sven gebeurd is en ook niet de indruk krijgen dat alleen dit voorval aandacht krijgt. Agnes mag niet het gevoel hebben uit de groep te vallen omdat ze nog geen relatie had. Vanaf het begin moet duidelijk zijn dat bij iedereen een seksuele ontwikkeling bezig is, en dat het erop aankomt te voelen waar je staat en waar je grenzen liggen. Agnes en Joke beseffen gaandeweg dat ze veel dichter bij elkaar staan in hun seksuele ontwikkeling dan op het eerste gezicht leek: ze merken nu dat ze beiden bang zijn om eigen grenzen aan te geven en dat ze zich allebei klein gevoeld hebben (Agnes tegenover Julie, Joke tegenover Sven). 

terug naar inhoudstafel

4.3 Behandeling van traumatische ervaringen 

In de behandeling van traumatische ervaringen merken we in de laatste decennia enkele opmerkelijke verschuivingen (zie Schwartz & Cohn 1996). Waar men aanvankelijk weinig oog had voor seksueel misbruik, kwam er steeds meer besef van de realiteit van seksueel misbruik en de (late) gevolgen ervan. Daarop ontstond bijna een rage van 'traumatherapieën', met allerlei ongewenste gevolgen voor de diverse betrokkenen (patiënt, therapeut en 'dader'). Naast het gevaar van een 'trauma aanpraten' is er ook een aanzienlijk risico op hertraumatisering als het slachtoffer via de therapie met pijnlijke herinneringen geconfronteerd wordt. 

De laatste jaren is het besef gegroeid dat niet traumaverwerking (via confrontatiemethoden) het directe behandeldoel is, maar wel het zoeken naar de beste wijze om dit trauma een plaats te geven in het huidige leven van de betrokken patiënt. De aandacht moet daarom gaan naar het verbeteren of verstevigen van de bestaande levensomstandigheden (inclusief sociaal netwerk) en de vaardigheden om actuele problemen op te lossen. Pas daarna kan men overwegen tot verkenning van een traumaverleden, confrontatie ermee en integratie ervan in het huidige leven (Vanderlinden & Vandereycken 1997). We bespreken kort wat dit concreet kan betekenen in de therapie van patiënten met een eetstoornis (zie ook Vandeputte 1998). 

Centraal in de behandeling staat het stoppen van de negatieve gevolgen van de traumatische gebeurtenis. De patiënt leert zichzelf weer onder controle te krijgen en zoekt naar alternatieven voor impulscontroleverlies. Patiënten worden gevraagd te inventariseren wat ze zichzelf aandoen (hongeren, braken, zichzelf verwonden). Ze leren alternatieven te zoeken om zich te ontladen en om met moeilijke momenten om te gaan. Ook over hun eetprobleem herwinnen ze controle. Op deze manier groeit de zelfcontrole en versterkt het eigenwaardegevoel. 

Negatieve emoties worden afgebouwd door middel van exposure (geleidelijke blootstelling). Patiënt begint met het opstellen van een triggerlijst (alle prikkelsituaties die aanleiding geven tot ongewenste emoties en/of gedragingen). Waar eerst gekozen wordt voor vermijding van triggers tot er voldoende zelfcontrole herwonnen is, zal patiënte stilaan confrontaties met triggers aangaan en zoeken naar verschillen met de oorspronkelijke situatie. 

Dit gaat gepaard met cognitief herstructurerende activiteiten. Het door het trauma vervormde beeld van het verleden wordt gecorrigeerd. De patiënt roept het beeld op van 'het kind in haarzelf', een kind dat beter verdiende of dat gelukkig ook allerlei positieve ervaringen meemaakte. Ze moet nu leren 'zorgen' voor dat beschadigde kind in haarzelf. Het ontwikkelen van een positiever lichaamsbeeld komt hier uiteraard ook aan bod (zie hoofdstuk 12). 

Omdat een sociaal netwerk met veel mogelijkheden op positieve ervaringen helend werkt, richten we veel aandacht op het opbouwen van sociale contacten buiten de therapie. In een groepstherapie zijn er al heel wat oefenmogelijkheden om anderen dichter toe te laten. Toch dient er over gewaakt te worden dat de transfer naar de eigen omgeving gemaakt wordt. Het levensscenario dat werd opgebouwd vanuit het trauma moet onderbroken worden. Nieuwe acties worden voorzien om positieve levenservaringen op te doen. 

Het spreekt voor zich dat na misbruik seksualiteit een moeilijk thema is. In de therapie mag men het dus niet te snel tot focus nemen (zie § 4.1) en ook bij thematische besprekingen en psycho-educatie moet men voorzichtig zijn (zie§ 4.2). Als praktische handleiding raden we aan het zelfhulpboek Mijn lijf is me lief (Van Wageningen & Plooij 1993) te gebruiken, waarin ook een deel gericht is aan de partner (zie hoofdstuk 15). 

Mieke, die in dezelfde groep zit als Joke en Agnes, geeft na de sessie een brief af. Door stil te staan bij vroegere ervaringen herinnert ze zich plots hoe ze als achtjarige door een buurjongen benaderd werd. Hij speelde doktertje, maar ging veel verder. Ze kon niet weg. Hij verbood haar om er met iemand over te praten. Zij moest regelmatig na de school bij haar buren blijven tot haar ouders thuis kwamen, waardoor de 'spelletjes' bleven duren. Mieke schaamde zich hier erg over. De therapeut neemt Mieke apart om met haar de brief te bespreken. Schaamte en allerlei verwarde gevoelens komen naar boven. Toen ze ongeveer twaalf jaar oud was, had ze moeder iets verteld maar die zei dat ze het zich allemaal te veel aantrok. Moeder gaf aan dat ze zelf ook zulke dingen had meegemaakt en dat je het beste zulke zaken zo vlug mogelijk vergeet. De therapeut moedigt Mieke aan om in de groep iets te brengen van het voorval, zonder in details te treden. Dat doet ze, en ze krijgt nu heel andere reacties dan die van haar moeder destijds. Het helpt haar om meer duidelijkheid te krijgen over haar verwarde gevoelens. Op verzoek van de therapeut schrijft ze een brief waarin ze het opneemt voor het 'kleine bange meisje' in haarzelf. Naast verdriet komt er nu ook veel kwaadheid naar boven. Ze besluit voorlopig elk contact met haar buurjongen te verbreken. Later, als ze zich wat sterker zal voelen, wil ze hem nog eens confronteren met hetgeen hij haar heeft aangedaan. Wel gaat ze een gesprek met moeder aan waarin ze kan aangeven dat ze zich door haar erg in de steek gelaten voelde in die tijd. Mieke onderlijnt ook hoe belangrijk ze het vindt hieraan te kunnen werken in haar therapie en spreekt de hoop uit dat dit moeder kan overtuigen om eindelijk wat te doen aan haar eigen onverwerkte verleden.

terug naar inhoudstafel

met toelating overgenomen uit Vandereycken, W. & Noordenbos, G. (2003) Handboek eetstoornissen, pag. 249-267, Utrecht : De Tijdsstroom, ISBN 90 5898 038 3